'T groot waerelds tafereel, waar in de Heilige en waereldsche geschiedenissen en veranderingen zedert de scheppinge des waerelds tot het uiteinde van de Openbaaring van Johannes, worden afgemaalt / Benevens de naaukeurige tydreekeningen of jaarboeken der gevallen des waerelds, in 't Frans beschreeven ... vertaalt en met vaarzen verrykt, door A. Alewyn.
- Jacques Basnage
- Date:
- [1715]
Licence: Public Domain Mark
Credit: 'T groot waerelds tafereel, waar in de Heilige en waereldsche geschiedenissen en veranderingen zedert de scheppinge des waerelds tot het uiteinde van de Openbaaring van Johannes, worden afgemaalt / Benevens de naaukeurige tydreekeningen of jaarboeken der gevallen des waerelds, in 't Frans beschreeven ... vertaalt en met vaarzen verrykt, door A. Alewyn. Source: Wellcome Collection.
22/554
No text description is available for this image
No text description is available for this image
No text description is available for this image![% J 2 • RED E N geen achting voor de wetten van het bloed, noch menfchelyk- heid te hebben, maar om de moordpriem in den boezem van zy n evennaaften te ftooten. Zo daar menfehen zyn, die zich niet boven den Godsdienft verheffen, als om gerufter in de misdag te blyven; is hy onder die rey niet. Hy haat de vermaaken, hy ontvlucht de waereld, hy leeft in eenzaamheid, hy oeffend zich niet om zich in die geenen te herfcheppen, welke hy leeft, en blindelings hun gevoelens te volgen, maar om dezelve naau- keurigte weegen \ en hy beftryd den Godsdienft niet, als om dat hy die als een gemeene en gevaarlyke dwaaling aanziet. Dusdaanig is ’t, dat de Atheift de godloosheid onder de fchaduw van de allerftrengfte deugd doet wandelen. En gelyk men mee* nigmaal van de zuiverheid der gevoelens, door die der zeden oor¬ deelt , zo treft deze uitterlyke onverfchiliendheid veel menichen, die ’t een eer reekenen, daar door geacht te zyn, en zich on¬ der de maatfehappy der waanwyzen te ftellen. Men vind nieu¬ we voorwerpen van toejuigingen met zich tegens’t gemeen der Ghriftenen aan te kanten, men ziet het zelve als een fchaaps kudde aan, welke haar Opperhoofden zonder onderzoek volgt, dewyl zy zelfs van dit onderzoek een der weezendlyke merktee- kenen van hun maatfehappy maaken. Men beichuldigt deze Opperhoofden niet minder een gemeen volk te zyn , ais het volk dat zy geleiden, of van ’t zelve in dit vooroordeel door be¬ langen te onderhouden. Eindelyk, de vreeze Gods fchynteen zwakheid van geeft , welke men met kunft voed : dit is het eerfte vooroordeel, dat wy, zo ’t moogelykis, willen ont¬ wortelen. De Atheift juigt zich zelve onrechtvaardig toe over zyn ftrenge zeden. Ik wil hem niet haatlyk maaken, door hem met misdaaden te belaaden, die hy mooglyk niet begaat. De mis- ilag baart veel eer bygeloovigheid en afgodendom als ongodi- ftery. Ik wil daar geen andere bewyzen van, als degdchiede- nis van deze grouwelyke eeuwen, daar de godloosheid met de uitterfte hoogmoed regeerde. Men merkt daar ter zeiver tyd aan een afichuwelyke vermeeftigvuldiging der Heiligen, Pelgrom- men, Plechtigheden en onnutte gewoontens , onder welkers begunftiging men geloofde met de Godheid te verzoenen, zon¬ der dat zulxiets aan de hartstochten koftte. Daar zyn Atheiften van misflaagen, daar zyn Atheiften van begeerten , die willen zouden, dat daar geen God was, om hem nooit te vreezen,en van de zorg ontflaagen te zyn van hem aan te bidden; en daar Zyn mede Atheiften van befpiegeling , die van de groote mis¬ daaden een affchrik hebben ; maar, zy moeten daar uit geen y- delheid trekken, om dat zy geeftelyke hartstochten hebben, en die niet minder moejelyk te overwinnen zyn, als de liefde der vermaaken. Ik onderzoek niet, of die menfehen geenloo- pende zonden begaan, of zy zo ’t eenernaal ontmenfcht zyn, dat zy niet meer de beweegingen van ’t vleefch gevoelen, waar van men zich gemeenlyk niet eer, ais met de jaaren , of met veel moeite ontüaat. By aldien men ’t leeven der Wysgeerigen onderzocht , en in hun binnenfte kaamer, en in hun hart trad , men zou bevinden , dat de oeftening de gemeene hartstochten in ’t volk noch niet gedood had, en dat zy niet naa- laaten dezelve in de afzonderingen en in ’t geheim te vergenoegen, maar, zonder in een haatlyk onderzoek te treeden, ftel ik vaft, dat de hartstochten niets verricht hebben als van voorwerp te ver¬ anderen. De Atheift van befpiegeling is meer jeloerfch van de vry- heid van tegelooven , ofniettegelooven, als de waereldling van zyn eeren en vermaaken is. Het is een groote kwelling in een vol- koome onafhanglykheid te leeven ; van niet met eenige plicht voor een meerdere oorzaak belaaden te zyn, en van nooit tot de noodwendigheid gebracht te zyn van zyn Item aan te hooren, en metzyn Wetteraadetegaan , om zyn bedryven te regelen. Het is een groote bekoorlykheid voor den geeft en ’t hart, niets bo¬ ven zich te zien ; geen andere richtfnoeren, te hebben, als die, welke men zich zelf voorfchrijfc, en volgens zyn eigen goed¬ dunken verbreekt, zich als zyn laafte einde aan te zien, en van zich zelve een zoort van een God te maaken, aan wien men alles overdraagt, en geen andere te erkennen; zulks is het Paradys der Atheiften, en de zoetigheden, die hen betooveren. Wyders bemint men het onderfcheid en de nieuwigheid inde ftoffe van Wysgeerte en Godsdienft.By aldien de Ongodiftery de loopende meening was, zyn daar wel menfehen, die dezelve verlaaten zou¬ den, om den verlaatene Godsdienftte volgen. Het is waar dat de Ongodiftery aloud is; maar men ftelt daar een eenn, dat men een nieuwe ftelling maakt; want daar zyn veranderingen en verwiffe- lingen in deze Sekte : alhoewel de leer daar van eenig is, ten min- fteheeft men de eer van nieuwe bewyzen uit te vinden, om de¬ zelve te verdeedigen, enjnieuwe zwaarigheden, om de Godiller ry aan te vallen. Is het dan geen zoort van ydelheid zich boven ’t E E R I N G volk re verheffen, en zich in deze verheffing als in een hoo Burgt aan te zien, terwyl de anderen in de modder kruipen ,vo alle ongemakken van de lucht blood geftelt ? Zo men de toeji gingen van een meenigte door haar onbeleefdheid en onftantv itigheid berucht, verliell, herftelt men dit verlies door de achtin welke men in een kleine Maatfehappy van fijne geeften heeft, < wier loftuitingen voor die van ’t volk en de Godgeleerden zyn ftellen. By gebrek van vreemde lofredenen, blaaft men zich zyn eigen oogen op , en men juigt zich zelve toe, van door Z] eigen verlichtingen tot deze hooge trap van vryheid gekoomen zyn, terwyl het overige der menfehen in flaaverny is. Daarz] geen trotfeher en groothartiger menfehen,als die eenzaame en b Ipiegelcnde, die boven de loftuitingen en heeriykheid fchyni te zyn. De verachting, waar mede zy van hun vyanden fpreeke; alhoewel wys zynde, en zy de eerfte verftanden van hun eeuw g weeft zyn, doet genoegzaam begrypen wat inbeelding zy vi zich zelve hebben. Men blooft van deze drift niet, om dat 5 inwendig en geheim is. Onderwylen, by aldien de Atheift [ zich zelve gaat, en zich onderzoekt ,’t geen hy nooit doet, om d hyde minite belangen niet heeft van zyn hart te kennen, noc om de ploojen te ontvouwen,' om zyn ilaat vaft te ftellen, e door het tegenwoordige van het toekoomende te oordeelen, z hy alle die beweegingen by zich vinden. Hy maakt een Afgc van zyn vryheid, aan wien hy God zelf opoffert ; dierhalve moet hy zich dan niet vermeeten geen hartstochten te hebbel die zyn Ongodiftery veroorzaaken ; want hy heeft alle die ge nen , welke deze kunnen en moeten voortbrengen. Ik ontken niet,dat het gedrag der Ghriftenen nietmeenigma de Godsdienft met verachting doet aanzien, als of zy het ui werkzel was van Staatkunde en de menfchelyke voorzienighei Men heeft moeite van niet te lachchen , als men een menfi j — —— —- ziet, die een God gelooft te dienen, kuffehende de omvleefch beenderen van een over langen tyd gefturven menfeh, of w een ongevoelige en doode beeldenis bewierookende. Het wo derbaar getal der wonderdaaden niet alleen onnut, maar dwaa belachlyk, met weinig geeft ingebeeld, en welke men niet n laat met heevigheid en vervloeking te onderfchraagen, wal de doorluchtige verftanden: de godlooze zeegepraalt, alshy< Chriftenen zich van den Godsdienft ziet bedienen als van o Mom-aanzigt, om haar leelikheid te verbergen, en dezelve fc fteeden om, onftrafbaar, de. grootfte misdaaden te bedryven. Eindelyk grypt men meenigmaal de godlooze met deze ont leeftheid aan, welke hem doet lachchen, en nieuwe befpringi gen voor den Godsdienft verwekt. Het is niet genoeg dat 1 Godlykheid in haar werken voor ons gevoelig zy ; men moet d zelve aan den geen, die haar ontkent, doen kennen. De y ver en vertrouwen,die een goede zaak inboezemen, volftreken daar t< niet. Men heeft kunft en voorzichtigheid van nooden, omd< godlooze in zyn affnydingen en fterktens te overweldigen, < fijnigheid, om zich van zyn verachtingen, welke hem zomty tot Bolwerken dienen, meefter te maaken. Daai is in dit tweede vooroordeel,gelyk in ’t voorgaande,eeii bedrog; want de misflag, die men in de voorwerpen begaa belet haare hoedaanigheid noch weezendlykheid niet. De Z< laat met na ftiaairyk en noodzaaklyk te zyn , alhoewel da; veel menfehen zyn, die door onachtzaamheid in ’t duifter vallei of die zich van zyn licht bedienen, om doodelykeen verderfelyl oogmerken uittevoeren. Men dwaalt van den Godsdienft, t rnen vergeet een God , wiens Rechtvaardigheid krachtige 11 drukzelen in de ziel van alle den geenen moeit maaken die he kenden. Maar volgt daar uit, dat hy niet weezendlyk is ? Men vermeent dat het de vreeze of de Staatzucht is , welke as de vaitftel ing van deze leereplaats gegeevenheeft? Integei deel by aldien men de weezendlykheid van een al tegevoelft en bekende God konde verydelen, zoude het gemeene volk a les winnen. Meent men dat zy de vryheid en onafhanglvkheic alzo wel als de Wysgeerigen, niet beminnen? By aldien ff volk niet meer andere dammen aan heur driften als de mei fchelyke wetten had, en by aldien zy ’t recht bezaten va alle zonden te begaan, welke zy niet ftraffen; by aldien zvnii meer met plichten belaaden waai en, die hen dwingen, laftia Va len en koken, wat zoude haar geluk zyn ? Het denkbeeld van ee wreekend God en de Hel zouden niet meer hun vermaake koomen ont ruften, noch de uitvoering hunner oogmerken we derhouden, zv zouden hun hartstochten niet meer met hun ge weeten zien itryden Schept men vermaak inwendiVe beule te voeden, en zoude men met doen, ’t geen men kan, et zich daar van te verloften ? . 5 Men doet naruurlyker wyzealles, om God uit de waercl T d-rmedezynoogwknietka beryken, verrukt men zich door denkingen en oogmerken, *](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b30453434_0023.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)