De "Cyrurgie" van Meester Jan Yperman / naar de handschriften van Brussel, Cambridge, Gent en Londen uitgegeven van E. C. van Leersum.
- Yperman, Jan, active 1310.
- Date:
- 1912
Licence: In copyright
Credit: De "Cyrurgie" van Meester Jan Yperman / naar de handschriften van Brussel, Cambridge, Gent en Londen uitgegeven van E. C. van Leersum. Source: Wellcome Collection.
Provider: This material has been provided by Royal College of Physicians, London. The original may be consulted at Royal College of Physicians, London.
29/378
![Cambridge voor zich gehad. Leest men den daarin voorkomenden latijnschen aanhef aandachtig over, dan blijkt evenwel niets van een oorspronkelijk latijnschen tekst, maar alleen van latijnsche werken, die Yperman bij het schrijven geraadpleegd heeft. „Quam ipse tractavit in flamingo ad utilitatem filii suo” heet het ook in laatstgenoemd handschrift, terwijl dat van Brussel „Quam ipse compilavit et in teutonico redegit filio suo” te lezen geeft. Bovendien ver- melden de handschriften, ook het Londensche, dat Yperman de Chirur- gie „getrocken” heeft „uut alle den auctoers” en „uten latine ende uten sijn selves verstandenisse” en dat wel „in dyetscher talen.” Ik houd het daarom voor waarschijnlijk dat het latijnsche incipit later door een of ander afschrijver, om aan het werk een klassieken glimp te geven, in het afschrift is opgenomen. Dit verklaart dan tevens waarom in het afschrift van Cambridge een dubbel incipit voorkomt, eerst een latijnsch en daarna een vlaamsch. Ik ben in mijn meening nog versterkt door een zin in het hand- schrift van Gent, op fol. 105 a (zie blz. 137, noot 1), welke aldus luidt: „Hier wil ic eynde maken vanden anderen boeke dye es van den „halze, wairbij ick bydde alle denghenen diere an zullen zien ofte „leeren dat sij zullen bydden over denghenen, die desen boec trock „uten latyne int vlaamsche.” En dat hier geen vertaler van een geschrift van Yperman aan ’t woord is, blijkt uit het vervolg: „want ik deedt bij [mijnre 1. minne] van den- genen die achter mij soude bliven,” dat is namelijk zijn zoon. En ten over- vloede wijs ik nog op een volzin uit de copie van Gent op fol.(3)d (zie blz. 145, kol. b), waarin gesproken wordt van humoren, die volgens Galenos „ter onsochter steden lopen” en waarop volgt: „ende aldus segthijtin latijn: ad locum dolorosum confluent humores”, een toevoegsel, dat in een latijnsch stuk natuurlijk geen zin zou gehad hebben. * * * Het is alleszins verklaarbaar dat Carolus, na de kennismaking met Yperman’s werken, in opgetogenheid over hun inhoud, zijn landsman den titel van „le père de la Chirurgie flamande” toegekend heeft. Deze geschriften waren eeuwenlang der vergetelheid prijs gegeven; geen der bibliographen, zelfs niet de belgische, waren zich van hun bestaan bewust1 2). Wel heeft Van Hulthem, die in 1818 het thans te Brussel berustende perkamenten handschrift van den Londenschen verzamelaar Heber wist te verkrijgen, zich tot een onderzoek gezet, doch hij zag zich genoopt dezen arbeid aan Willems over te laten. En deze bepaalde zich, wat de Cyrurgia en de Medicina betreft, tot een beschrijving van slechts enkele regels *). Men mag dus zeggen, dat, toen Carolus zich tot een analyse der 1) In Broeckx’ Essai sur l’histoire de la Médecine Beige, Brussel, 1838, komt Yperman’s naam niet voor. 2) Bibliotheca Hulthemiana. Gand, 1837, Vol. VI, Manuscrits. No. 193, blz. 45.](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b2499196x_0029.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)


