Ontleedkundige studien over de aderlijke bloedvaten in den gezonden toestand / door Dr. J. M. Schrant.
- Johannes Matthias Schrant
- Date:
- [cbetween 1800 and 1899?]
Licence: Public Domain Mark
Credit: Ontleedkundige studien over de aderlijke bloedvaten in den gezonden toestand / door Dr. J. M. Schrant. Source: Wellcome Collection.
Provider: This material has been provided by The University of Glasgow Library. The original may be consulted at The University of Glasgow Library.
31/48 page 29
No text description is available for this image
No text description is available for this image
No text description is available for this image![21) dier ligchaanipjes ook in het algemeen in de gelieele bloed- massa is toegenomen. Zoo vindt men ze dan gewoonlijk in groote menigte in de ernsta I)lllogi^t^(•a van het door aderlating verkregen bloed. — De kleurloze bloedligchaam- pjes wit de lympha te doen afstammen, is daarenboven eigen- lijk geene verklaring van hunnen oorsprong. Zij verplaatst de zwarigheid, doch lost haar niet op. Men kan toch weder- om vragen : hoe ontstaan zij in de lympha? Onze verklaring is deze: Wij gaan weder uit van hetgeen wij bij de voeding en bij het herstellen van verloren gegane deeltjes in verschillende organen waarnemen. In het uit de fijnere vaten doorgezweete plasma ontstaan , door den invloed der weefsels, met welke het in aain'aking komt, cellen, die in hare verdere ontwikkeling, min of meer, de type dierzelfde weefsels volgen. Zoo ontwikkelt zich uit hetzelfde vocht op het been beenweefsel, op het beenvlies fibreus weefsel, op het bindweefsel carunculae, die grootendeels tot bind- weefsel overgaan, in de epidermis epidermiscellen enz. Deze wet is vogel's Gesefz der aaalogen Büdung. Nu wordt, gelijk Avij zagen, het epithelium, dat de bloedvaten, even als de chylvaten bekleedt, door eene zeer langzaam bewe- gende laag plasma bespoelt. Dezelfde wet, ook hier van kracht, brengt te weeg, dat, nabij de oppervlakte van het c]>ithelium, in dat plasma cellen (kleurloze bloedligchaam[)jes, lymphlig- chaampjes) ontstaan, die de neiging bezitten om, langs ver- schillende trappen van ontwikkeling, insgelijks epithelium- cellen te worden. Voor een gedeelte zetten zij zich dan ook als zoodanig vast, voor een ander gedeelte evenwel worden zij door het voorbijstroomende vocht medegesleept. Hierbij glijden zij eerst langs den vaatwand, waar men ze het meest aantreft, zich van tijd tot tijd nog vasthechtende (ook aan vreemde ligchamen, zoo als vezelstofstolsels) tot epithelinm. De overige geraken meer en meer door de vochtmassa ver- spreid , en gaan hierin, geene rust tot verdere ontwikkeling erlangende, weldra door vetmetamorphose enz. te gronde. Neemt men deze ontwikkeling aan , zoo Avordt het ook dui- delijk , waarom zij bij stasis, zoowel plaatselijk, als ook door de geheelo bloedmassa zoo zeer vermeerderen. De stasis geeft aan het plasma meer rust, deze rust bevordert do](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b21478727_0031.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)