Handboek der ziektekundige ontleedkunde, met toepassing op het gebruik aan het ziekbed. Deel I. / Uit het Hoogduitsch vertaald door J.L. Dusseau.
- Carl Ernst Bock
- Date:
- 1848
Licence: Public Domain Mark
Credit: Handboek der ziektekundige ontleedkunde, met toepassing op het gebruik aan het ziekbed. Deel I. / Uit het Hoogduitsch vertaald door J.L. Dusseau. Source: Wellcome Collection.
410/428 page 392
![veelheid van het exsudaat, maar geenszins het karakter der ontsteking herkennen. — Volgens ROKITANSKY daarentegen schijnen bepaalde dyscratische ziekteprocessen in het been een bijzonder, eigenaardig osteophyt te veroorza- ken. In syphilitische beenderen js de hyperostosis en sclerosis zonder osteophytvorming op de oppervlakte kenschetsend; de scrofuleuse been- ontsteking brengt een fluweelachtig-vlokkig osteophyt op platte, harde beenderen en een splinterig-bladerig aan de gewrichtsuiteinden der pijp- beenderen te weeg; aan de jichtige ostitis is bet tepel- en druipsteen- vormig osteophyt eigen; bij rheumatismus vindt men een tepelachtig- bladerig osteophyt. [Zie meer in het breede over de specifieke beenontstekingen bij beenziekten]. Exostosis is eene meer of minder scherp omschreven, op de oppervlakte van een been vastgehecht uitwas van eene vaste of sponsachtige beenmassa , dat ongetwijfeld het voortbrengsel eener, meestal chronische ostitis (en perios- titis) zijn kan, maar toch menigvuldiger als het gevolg eener bloedstasis voor- komt. (Zie bij hypertrophie der beenderen). b) Het etterachtige exsudaat bij beenontsteking, dat zich of uit het albumineuse ontwikkelt, of door vervloeijing van het vezel- stofexsudaat tot stand komt, brengt zeer verschillende verschijnselen in het beenweefsel te weeg, naar mate van zijne hoeveelheid en hoe- danigheid, zijne zitplaats aan de oppervlakte of in de diepte van een been en naar mate van zijn langer of korter bestaan. Groote etteringen in enkele beenderen slepen ook niet zelden atrophie, poro- siteit en verweeking der overige beenderen van het geraamte na zich. — In de eerste 8—10 dagen vertoonen zich, volgens eneen, bij de etterende ostitis nog geene veranderingen in het been, men vindt slechts etter in het sponsachtige weefsel (en in de mergkanaaltjes); de zachte deelen rondom het ontstoken been zijn ligt geinjicieerd en eenigzins oedemateus. Langzamerhand zwelt het been aan, het neemt eene kleur die met het exsudaat overeenkomt aan en wordt vuilgeel of grijs roodachtig; ten gevolge der maceratie en versmel- ting van zijn weefsel door den etter wordt het sponsachtiger (osteo- nen en zeer murw, zoo wel in zijne mergachtige als in zijne bastzelfstandigheid; deze laatste vertoont zich als uitgerafeld, ver- dund en zelfs op verscheidene plaatsen met kleine openingen door- boord. Door de versmelting van het beenweefsel en de zamenvloei- jing van den etter vormt er zich somtijds een absces binnen in het been, dat afgesloten worden, of zich naar buiten openen, en dan cicatriseren, of in eene zweer veranderd worden kan. Daarbij laat het periosteum en het kraakbeenig bekleedsel ligter van het been los; zij zijn ontstoken en vormen somtijds een vlokkig osteophyt; de zachte deelen zijn weiachtig of etterig geinfiltreerd, of eeltachtig verdigt. — Indien zich de etter op de oppervlakte van het been, tus- schen dit en het beenvlies verzamelt, dan wordt het periosteum van het been losgemaakt en tot eenen vochtgolvenden zak uitgezet; het beenvlies is daarbij los van weefsel en etterig geïnfiltreerd, het been aan zijne oppervlakte door eene etterige versmelting ruw en als het ware aangevreten. Nadat de etter ontlast is, volgt er, volgens ENGEL, geene genezing van het aangetaste been door wedervoortbrenging van het verlorene, maar blijft het verlies van zelfstandigheid bestaan en vergroeit het broze, sponsachtige been vast met de eeltachtige, ver-](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b29340688_0410.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)


