Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst. (Thesis) / door E.D. Baumann.
- Evert Dirk Baumann
- Date:
- 1910
Licence: In copyright
Credit: Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst. (Thesis) / door E.D. Baumann. Source: Wellcome Collection.
Provider: This material has been provided by Royal College of Physicians, London. The original may be consulted at Royal College of Physicians, London.
21/342 (page 3)
![in de Augustijnenkamp. 1) Daar, in een der vochtige holle vertrekken met hooge, nauwe vensters, door groote turfvuren verwarmd (men ziet dat onze voorvaderen minder bezorgd waren voor de gezondheid hunner kinderen) heeft Johan, gezeten op een ruwe bank voor een ruwe tafel, tot het jaar 1611 de morgenuren van acht tot elf en de middaguren van één tot drie doorgebracht; en we mogen aannemen vlijtig leerend, opgewekt en blij. Eerst had hij bij den Duitschen meester de kunst van lezen en schrijven te leeren. Daarna werd hij ingewijd in de Latijnsche en Grieksche taal, om ten slotte in de hoogste klasse het onderricht te genieten van niemand minder dan Gerardus Johannus Vossius, in het begin der XVIIde eeuw rector te Dordt 2). Voor dezen hoogstaanden man, bovenal als Latinist en Graecus beroemd, heeft de jonge Johan blijkbaar grooten eerbied en genegenheid gevoeld. Voor zijn wetenschappelijk kunnen was het zeker niet zonder beteekenis, dat hij onder leiding van zulk een eminent leeraar die wereld der klassieken heeft leeren kennen, waarin hij zich op rijperen leeftijd zoo thuis gevoelde. Geen woorden kon van Beverwijck dan ook vinden om uit te drukken, hoezeer hij zich aan hem verplicht wist. «Zijnen onsterfelijken, zijnen onvergetelijken leermeester,« roemt hij hem, «wien hy al zijn geleerd- heid dank [moest] weten.« En niet minder was ook de lof, waarmee de andere discipelen (onder wie mannen als Jacob de Witt, Johan Berck, Cornelis van Beveren, Adriaan van Blijenburgh, Janus Rutgersius, J. F. van Slingelant en Daniël Joncktys, om alleen de uitnemendste te noemen) over Vossius spraken. Niet alleen zijn geleerdheid prezen zij maar ook zijn karakter, zijn beminnelijkheid, verdraagzaamheid en oprechtheid. Als hoogleeraar in de logica en theologia moralis was toen nog 1) Boven den ingang in de Augustijnenkamp stond op een, nu nog in ’t museum Oud-Dordrecht bewaarden, steen een rijmpje waarvan de twee eerste regels luiden: «Qui fuit idolis sacratus tempore longo Nunc Christo et studiis, est locus iste sacer.« 2) Door zijn kunde kreeg de tot toen onbekende school in die jaren een grooten naam: «Bij het aanvaarden van zijn ambt was het getal leerlingen zoo ge- ring, dat hem in het eerste jaar zijner bediening een toelage van f 115.—, «voor hetgeen hij en zijne schoolmeesters te cort gekomen waren in ’t schoolgeld,« werd toegestaan. Sedert dien nam echter met zijnen roem de schare zijner kweekelingen van jaar tot jaar toe. Niet slechts uit de Vereenigde gewesten, maar uit Brabant, Engeland en Frankrijk kwam men om hem te hooren.« (Dr. G. D. J. Schotel, De Illustre School te Dordrecht, p. 44.)](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b28038083_0021.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)