Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst. (Thesis) / door E.D. Baumann.
- Evert Dirk Baumann
- Date:
- 1910
Licence: In copyright
Credit: Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst. (Thesis) / door E.D. Baumann. Source: Wellcome Collection.
Provider: This material has been provided by Royal College of Physicians, London. The original may be consulted at Royal College of Physicians, London.
23/342 (page 5)
![van zijn opgewekten aard, dat hij de genoegens van het studenten- leven niet zal hebben versmaad; van de baldadigheden en straat- schenderij echter, waaraan zich toen velen zijner studiegenooten hebben schuldig gemaakt, zal hij zich, dunkt me, wel hebben onthouden. Dat de toen mede niet ongewone klachten der professoren over traagheid en slordigheid in het studeeren, van Beverwijck niet hebben gegolden, weten we evenwel zeker. Niet alleen hoorde hij immers met lust de voordrachten van de hoogleeraren Pauw, Vorstius en Heurnius, maar ook sommige lessen van andere faculteiten blijkt hij te hebben gevolgd. «Neque tarnen,« zegt hij, «amore omni literarum abjecto, et in Medi- cinam transfuso, castra Musarum desero.« De professoren Dominicus Baudius en Daniel Heinsius, met welken laatsten hij in later jaren zeer bevriend was en geregeld correspondeerde, mochten hem onder hun leerlingen tellen en eveneens Petrus Cunaeus, na 1612 buitengewoon hoogleeraar in de letteren. Dan. Heinsius hoorde hij Tacitus, Petrus Cunaeus Caesar en Suetonius interpreteeren, 1) «Quinetiam animum assidua Medicorum lectione lassum, literarum delitiis ex intervallo regustatis, subinde recreo, ut ad priora mox studia rediret alacrior.« Met het medische onderwijs was het toen niet zeer gunstig gesteld. Want moeilijke tijden had de nog zoo jonge hoogeschool, wier toekomst bij den ingang der nieuwe eeuw zoo schitterend beloofde te zullen zijn, in die jaren door te maken. Naast de pest, die in het begin der XVIIde eeuw zoo herhaaldelijk in Leiden optrad, waren het voornamelijk de godsdiensttwisten, [in welke niet alleen de theo- logen maar alle hoogleeraren en studenten in onze «godgeleerde« republiek meenden te moeten partij kiezen, en die ook de gansche aandacht en zorg der curatoren voor zich namen], waaraan dit moet worden geweten. In alle vakken waren in den aanvang van het tweede decennium tal van leerstoelen onbezet, in 1611 was de senaat tot op zeven leden na uitgestorven. «Miserum est videre deserta omnia fere juris consultorum subsellia et per medicorum vastam quandam solitu- dinem« schreef Cunaeus den 4den Mei 1611 aan Van der Mijle. Ook het aantal studenten nam onrustwekkend af. Welke houding onze jonge student in de theologische twist heeft aangenomen, weten we niet. Komend uit het rechtzinnige Dordt, be- hoeven we hem niet van Arminiaansche ketterijen te verdenken, maar calculo« achter «Exercitatio in Hipp. aphor. de calc.«, p. 186. Klaarblijkelijk slaat dit op een redevoering door Tulp als student gehouden. 1) Brief aan Petrus Cunaeus 21 Oct. 1633 (MSS Cunaei. No. 2 L. U. B.)](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b28038083_0023.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)