Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst. (Thesis) / door E.D. Baumann.
- Evert Dirk Baumann
- Date:
- 1910
Licence: In copyright
Credit: Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst. (Thesis) / door E.D. Baumann. Source: Wellcome Collection.
Provider: This material has been provided by Royal College of Physicians, London. The original may be consulted at Royal College of Physicians, London.
30/342 (page 12)
![bij hem in beslag. Ook de natuur van de landen, welke hij bezocht, wekte zijn belangstelling. Echt kind van zijn tijd, toen naast de anatomie het natuuronderzoek onder de medici met het meeste succes werd beoefend, hadden de flora en fauna van het land zijn volle aan- dacht. Bij Montpellier, zoo verhaalt hij onder meer, zag hij «met groot vermaeck« de «weyden en velden van Rosmarijn, Hyssop, Mario- leyn, Thijm en dierghelijcke welrieckende kruyden beset.« En hieraan meende hij het te moeten wijten, dat aldaar het lamsvleesch zoo maisch was, «byna welrieckende en van eenen aengenamen geur.« Van de omstreken van Marseille en Napels vermeldt hij de vele granaatboomen, die hij daar vond en te Pont St. Esprit, niet verre van Oranje, zag hij den wilden komkommer welig groeien. Ook de genietingen, die voor hem open stonden, heeft hij niet ver- smaad. Zelf vertelt hij dat natuurlijk niet, maar wie, — bedenkend hoe hij mede in zinnelijke neigingen kind van zijn tijd was — tusschen de regels door vermag te lezen, zal het niet ontgaan, dat het, ook op zijn reis, niet alleen de zieke mensch was, die hem interesseerde. Wat hij echter wel vermeldt, is dat hij de vreemde dranken en spijzen op haar wezenlijke genotswaarde heeft beproefd : zoo de «appeldranck ofte cidre, gemaeckt van het uytgeperste sap« van appelen, naar zijn zeggen, de gemeene drank te Caen, waarin hij evenwel «geenzins smaeck konde krijgen,« en de muskaatwijn van Frontignac in Languedoc, welke hem veel beter beviel. Zelfs het kikkerboutje, een zoo ongewone spijs voor den Hollander, waagde hij het in Italië te proeven. En hij moest erkennen, dat het wel «smakelyck« was. Maar naast dit materieele heeft hij ook het meer ideëele, dat te genieten was, niet versmaad. Voor iemand van zoo veelzijdige belang- stelling, voor een vereerder der klassieken als van Beverwijck beteekende Italië toch allereerst het land, waar iedere plek herinnert aan de dingen die eens waren. Zoo maakte hij dan in den zomer van 1616 zich op om te gaan naar Rome en Napels, eens het brandpunt van de Ro- meinsche cultuur, waar meer dan elders te zien was, wat aan bouwvallen en gedenkstukken van deze nog restte. Tot de keuze van juist dien tijd, zoo deelt hij mede, drong hem «de pestilentiale koortze, die [toen] in het gebiet van de Venetianen seer in zwang gingh,« en de vlucht voor wien zulks mogelijk was, gewenscht deed worden. Tevergeefs vluchtte hij evenwel, want alrede, zoo zoude hij zelf het uitgedrukt hebben, had «syn lichaem het besmettelyck zaet ontfangen.« Onderweg werd hij te Siena ziek, echter niet ernstig en reeds was hij vrij wel hersteld «als van de doot verlost,« toen het gebeurde dat hij «door](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b28038083_0030.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)