'T groot waerelds tafereel, waar in de Heilige en waereldsche geschiedenissen en veranderingen zedert de scheppinge des waerelds tot het uiteinde van de Openbaaring van Johannes, worden afgemaalt / Benevens de naaukeurige tydreekeningen of jaarboeken der gevallen des waerelds, in 't Frans beschreeven ... vertaalt en met vaarzen verrykt, door A. Alewyn.
- Jacques Basnage
- Date:
- [1715]
Licence: Public Domain Mark
Credit: 'T groot waerelds tafereel, waar in de Heilige en waereldsche geschiedenissen en veranderingen zedert de scheppinge des waerelds tot het uiteinde van de Openbaaring van Johannes, worden afgemaalt / Benevens de naaukeurige tydreekeningen of jaarboeken der gevallen des waerelds, in 't Frans beschreeven ... vertaalt en met vaarzen verrykt, door A. Alewyn. Source: Wellcome Collection.
29/554
No text description is available for this image
No text description is available for this image
No text description is available for this image![^ fcheide pUatz.cn van de Schrift, die dnifierzyn, konde dienen ; maar, zonder in een lange nafpooring van muggeziftery te treeden , kent men de Sabaïten niet, waar vanzommigehedendaagfchc fcbryvers tecgenwoordig de Aeloudheid en Godsdiend weder op- 5 haaien, als door de Arabifche uitvinders, of door Maimonides, die dezelve afgefchreeven heeft. Niemand is onbekend, dat de Ara¬ bieren , ten opperfte verdichten, voor de waarheid van een daad niet kunnen inllaan, waar over zy niet gefchreeven hebben , als vierduizend jaaren, na dat dezelve voorgevallen is. Zy hou¬ den daande, dat Abraham te Bacefa woonde, en deze dad is niet, als een lange tyd na deze Aardsvader gebouwt geweed. Zoroadres, die de uitvinder hunner Godsdiend was, veel eer als Nachor, is mede zo Aeloud niet ais Mozes. Zy houden daande, dat Adam de eerde menlch niet was, maar, een Pro¬ pheet, van de Maan nedei gedaalt, om de viering van dit ge- itarnte vad te dellen, en zy fchryven hem eenige boeken van ijt de Landbouw toe -, maar, Sedi, zyn zoon, verliet den Godsdiend ij van zyn vader, en verwierp de beeldenillen van ’t gedarnte , ij] waar door, onder de begundiging van heur invloejingen, men ij het toekoomende voorzeide. Mozes konde zyn gefchiedenis van J de Schepping uit hun fchriften niet getrokken hebben , zelfs i l fchoon men onderdelde , dat zy zeer aeloud waaren. Hy ging in Chaldeaniet, men gelooft zelfs, dat hy zo onkundig was van ’tgeen daar voorviel, dat men moeite heeft van zich in te beelden dat hy heeft kunnen weeten, dat het gond aldaar goed was. Jl . De Egyptenaaren hadden hem veel nutter kunnen zyn. Zy 'i beteek enden de oudheid van hun oorfprong, zeggende, dat zy 'j uit de aarde gefprooten waaren. zy vermeenden de geheugenis der C!l; aeloude uitkomden, in pilaaren gegriffiet, bewaart te hebben. H Mercurius Trismegides, die deze pilaaren opgerecht heeft, was àe eerde bediende van Staat van Ofiris, en de Chridenen : koomen overeen, dat Mifrajim, de eerde Koning van Egy- pten, deze Ofiris was , vanwienmen een God gemaakt heeft. ED; Hy was dan veel aelouder als Mozes } hy konde uit hem zyn oè gefchiedenis gehaalt hebben, gelyk Manethon, Prieder van Heliopolis, onder de Regeering van Ptolomeus Philadelphus, !r • deede. Daar was mede een aeloud jaar boe fonderdeEgyptenaa- w- ren, en Mozes haddedeze aeloude gedenkfchriften beoeffent, U dewyl de Schrift hem den lof geeft, van in alle de weetenfchap der hi Egyptenaaren opgevoed ge weeft te zyn. 11 • Hetisgemaklyk deze gilling, meer verblindende als de voor- iee gaande, om ver te werpen } want men weetniet, wie de Mer¬ curius Tïïsmegides is , en men telde zoodanigen van de tyd van Cicero tot vyt in ’t getal. De boeken, die zyn naam voe¬ ren, zyn een ondereenmenging van de wysbegeerte vanPlato met die der Egyptenaaren. Men heeft daar zelfs eenige waar¬ heden van den Godsdiend doen in koomen, als ofmen een oog¬ wit gehad had om ’t bedrog gevoeliger te maaken. Men kan met raaden wat deze mooglyk ingebeelde pilaaren behelfden , en waar van het ten minden heel moejelyk valt, om niet onmoog- lyk te zeggen, van de merkteekenen na een lang gevolg van eeuwen uitteleggen. Men verzeekert dat Manethon zyn gelchie- denis getrokken heeft van de verhoeven pilaaren, in het land van Seri ad, welke ontcijfert en in V Griekfch over gezoet geweeft , na de zondvloed 9 en in een Tempel bewaard waaren door Agathodemon de tweede van die MercttnaJJen ; maar, men weet niet, waar ’t land van Seriad is, waar in deze pilaaren zo langen tyd gedaan heb¬ ben . De gefchiedenis der Richteren fpreekt van het land van Seirah, daar Ehud zich verbergde, na dat hy Eglon, deKo- ning van Moab had omgebracht, en de naam van deze plaats beteekent, dat aldaar een deene gedenkteeken was , ’t welk de uitleggers voor een Afgod genoomen hebben, maar, dit ge¬ denkteeken was veel eer dat der twaaf deenen door Jofua op¬ gerecht, na de doortocht van den Jordaan, en dit land kan zich met dat van Seriad nietondereenmengen, ’twelk men in Egy- pten moet zoeken. De pilaaren, in dat land voor den Zondvloed opgerecht, konden zonder twyffel de ongeduimigheid der waateren niet wederdaan, die de deden, op ’t derkde gebouwt, omverwierpen. Dusdaanig is deezeonderdelling verdicht. Het is een andere, als de overzetting in ’t Griekfch vandeEgypti- fche Beeldefchriften van deze pilaaren 5 want de Egyptenaa-, ren, jeloerfch van hun vaders, en hun taal, doegen geen acht om dezelve den Grieken te ontleenen , met wien zy geen on- dcrhandeling wilden hebben, en die niet, als een langen tyd na de Zondvloed opgeciert wierden. Eindelyk, Manethon moet op deze pilaaren de gefchiedenis der Dynadien van Egypten , zedert de eerde afgefchreeven heb¬ ben, waar onder menThoitof Mercurius Triimegides plaatd, tot aan Alexander de Groote. Deze aanmerking alleen vol- itrekt, om dezegeheele gefchiedenis in den Rey dérverdieht- 18 zelen te dellen , om dat het moed zyn dat Thoit de uitkom¬ den veeler eeuwen befchreeven had, die na hem verdreeken zyn, en waar van men een zo wonderbaar verhaal doet , dat men de jaaren voor de maanden heeft getracht teneemen. Het aeloude Jaarboek der Egyptenaaren was niet veel zeekerder, als het werk van Manethon, en haar Uitvinder leef¬ de omtrent in die zelve tyd, gelyk een geedige muggezifter toedaat, in weêrwil van ’t belangen, dat hy heeft, van de aeloudheid van dit werk weder te verheffen. Het is waar, dat men de waereld onder de gedaante van een Ey verbeeldde , welk uit den mond vaneen menlch kwam , om in te boezemen, dat dezelve door’t Woord gefchaapen is. Maar wie weet , of deze Beeldefpraak niet zedert Mozes ingebeeld geweedis, en zedert de onderhandeling , welke de Egyptenaaren zo meenig- maal met de Jooden hadden, dewyl zy van Meedersen Dwin¬ gelanden hun Bondgenooten wierden. Diogenes Laërtius zegt* dat men in dat land daande hield, dat de waereld , welke van een ronde gedaante en verderjlyf was, gebaartgeweejl was, en dat de fioffe het begin van alle zaaken is. Daar is niet meer overig als te zien, of de Aardsvaderen ee¬ nige boeken of eenige gedenkteekenen nagelaaten hebben , in welke men het geheugen van de Schepping kan ontdekken. De Jooden fchryven Abraham een boek van de Schepping toe , ’t welk hy uitdruklyk zaamendelde, om deze uitkomd te ont¬ winden , ten geval van de twid redenen, die zich in zyn tyd verheden, over de meerderheid der beginzelen. In der daad, de Sabaïten erkennen hem dusdaanig voor den vader hunner Godsdiend , dat zy dezelve Kifs Abraham , dat is te zeggen , de Godsdienjl van Abraham noemen *, maar de leezing van ’t werk, met zaamenrottende gedachten en doorfiependheden vervult, ontdekt daar van de onderdelling. Eupolemus zegt , dat deze Aardsvader in Egypten ging , alwaar hy lange onderhandelingen met de Prieders van de Zonnedad of Heliopolis had, aan wie hy de derrekunde leer¬ de} maar, boven dat een zo lang verblyfvan Abraham in Egy¬ pten en zyn onderhandelingen verdicht zyn, zo fpeelden zy niet als op de darrekunde , waar van Mozes geen groot gebruik gemaakt heeft. De Gebooden, zo bekent onder den naam van JNoach, die dezelve aan zyn kinderen moet gegeeven hebben , waaren kort, en zagen niet als op eenige zede-plichten. Het boek Enochs was, zegt men , voor den Zondvloed gefchree¬ ven. Tertullianus en veel andere vaders hebben zich beroemt de Prophétie van dezen Aardsvader geleezen te hebben. De Heilige Juda zelfs heeft eenige woorden aangehaalt, van ’t werk ontleent, dat zyn naam droeg ; maar, men twidreedent niet meêr over dit werk. Men daat toe , dat het onderdek en een langen tyd na Mozes gemaakt is. Eindelyk, men klimt we¬ der tot Seth op. Jofephus verzeekert, dat deze Aardsvader van Adam geleert hebbende, dat de waereld door ’t waater en ’t vuur vergaan moed, twee pilaaren oprechtte, de eene van tig- cheldeenen end’andere van deenen, waar in hy veel zaaken ge- fneeden had, om voor het geheugen der menfehen te bewaaren. Men zeide zelfs, dat eene dezer pilaaren noch in zyn tyd in Syrien te zien was} maar, dat is niet, als van hooren zeggen. Een wys Biffchop heeft gegid, dat hy niets ged aan heeft, als het verhaal van Manethon in de voorige dand te brengen, daar de naam van Seth in plaats van Thoit dellende, en Syrien in plaats van het onbekende land van deze gefchiedenisfchry- ver. In den grond, de Prophétie van Adam, die aan Seth het, oogmerk inblies van deze pilaaren op te rechten, is heel verdacht. Dat oogwit was belachlyk} want,by aldien de waereld zich ooit ontdeekt, is daar geen pilaar, die ’t geweld van de vlam¬ men , die dezelve in d’afche leggen, kunnen wederdaan. Het is niet veel minder moejelyk te begrypen, dat de eene de waa¬ teren van den Zondvloed wederdaan heeft , en dat de merk-, teekenen, die men aldaar gefpeurt heeft, zich bewaard hebben} en als zulkx al waar was, moedmen raaden, dat Seth de ge¬ fchiedenis van de Schepping aldaar gegraveert had , ’t geen men niet weet. Aan wat zyde men zich keert, kan men geen eenig gedenk- fchrift, dat Mozes heeft kunnen naichryven, ontdekken. Mu- feus Orpheus, zo vermaart by de Grieken , leefde ten aller- hoogden ten tyde van Gideon. Sanchoniaton, die Gefchiede- nisfchryver der Pheniciers, kan niet veel aelouder zyn, als de¬ ze Helden van ’t Heidendom, om dat zy hem in zyn werk hiel¬ pen} maar, men doet hem veel laeger afdaalen, en zyn werk draagt zo veel teekenen van valfchheid, dat men hem niet als een wettig gedeelte kan geeven. De Chaldeërs, groote der- rekykers zynde, hebben niets over de Schepping gefchreeven. De Egyptenaaren kenden dezelve niet beter als de andere vol¬ ken j hunne pilaaren eenmaal omyer gewerpen zynde , ont- C dekt](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b30453434_0030.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)