'T groot waerelds tafereel, waar in de Heilige en waereldsche geschiedenissen en veranderingen zedert de scheppinge des waerelds tot het uiteinde van de Openbaaring van Johannes, worden afgemaalt / Benevens de naaukeurige tydreekeningen of jaarboeken der gevallen des waerelds, in 't Frans beschreeven ... vertaalt en met vaarzen verrykt, door A. Alewyn.
- Jacques Basnage
- Date:
- [1715]
Licence: Public Domain Mark
Credit: 'T groot waerelds tafereel, waar in de Heilige en waereldsche geschiedenissen en veranderingen zedert de scheppinge des waerelds tot het uiteinde van de Openbaaring van Johannes, worden afgemaalt / Benevens de naaukeurige tydreekeningen of jaarboeken der gevallen des waerelds, in 't Frans beschreeven ... vertaalt en met vaarzen verrykt, door A. Alewyn. Source: Wellcome Collection.
70/554
No text description is available for this image
No text description is available for this image
No text description is available for this image![ilâchteh * gedenken ; deze dwingland , van ’t bloed , dat hy overal vond , verfchrikt , was verplicht het zelve te drinken * en in een plaats met kanaalen zeer döorfnceden* was niet waaters genoeg om zyn dorfl te leiïchen. !XIL HOOFDDEEL, Vers, ii. (y.) De plaagen vermenigvuldigden ; alle de fchepze- len waapenden zich om de Egyptenaaren te Hraffeti; de lucht, deaàrde, hetwaater, het vuur, dehaagei, de blikzemen en het ongedierte wa3Vën de werk¬ tuigen van Gods wrààk; De vorfchen , na het ge- heele land overdekt te hebben $ drongen tot in het paleis en de kaamér Van Phàrâo ; men zag niet als Vorfchen , die door huri grouweiyk geiuid , en on- Verdrâaglyke flank de Egyptenaârs tot wanhoop brach¬ ten. Een veel groöter ongeluk wachtten hen noch boven dien, hun oudfle zoonen moeften op een on¬ voorziene wyze omkoomen ; maar God , die dé UITLEGGING van de De Optocht V Gemarteld Ifrael, geleld door Mo fes hand, Verlaat , op Gods bevel, het faaffch Egypten land, En treed droogs voets door zee ^op ’t wyken van de baaren\ XI1L HOOFDDEEL. Vers. 18. Pharaö, geheel Verhard, als hy was, konde zo Veel geeÏTelflaagen niet weederltaan, de onvoor¬ ziene dood van een zoon, die na hem den Troon beklimmen moeit, en ’t gefchreeuw zyner onder- daanen, die yder een dood lichchaam in hun huis hadden, dwongen hem de vryheid toe te Hemmen, Vu elke men Zederd een zo lange tyd vruchteloos afge■* vorderd had. Het joodfche Volk vertrok, en roof¬ de de fchatten der Egyptenaaren. De geruite uit¬ leggers van de gevallen des gewilTe rechtvaardi¬ gen de Ifraéliten , die , na de edele gelteenten en zilver e vaaten den Egyptenaaren ontleent te heb¬ ben , dezelve wegnaamen, in plaats van die voor hun vertrek weder te geeven. Zy zeiden , dat zulks de belooningen voor de dienllen waâren, die zy aan die wreede en onbarmhertige meelters zedert een langen tyd gedaan hadden. De huisgenooten trekken daar een belluit uit, tegen de meelters, die hen niet betaalen, engelooven, dat het hunge- oorloft is, van te röovert en mede te neemen’tgeen men hun fchuldig is. Maar men denkt dat daar niet ; want de roof der Ifraeliten was van God bevoo- len ; \ welk dezelve rechtvaardigt. Zy zeggen, dat God den roof niet konde bekrachtigen, en dat het een liltigheid van Mofes was,, die zyn vyanden wil¬ de berooven, en zich ten kolte^ der Egyptenaaren teverryken. Zulks is de rechten van de Godheid niet wel kennen, die , volkoomenmeeltervan de goede¬ ren, dezelve door geweld kan ontrooven, als’t hem behaagt ; hy geeft en neemtze door den weg van zyn voorzienigheid : hy kan dezelve zaak door een vaflgefldd bevel doen. God, die het goed en de on¬ heilen maakt en fchept, zoude die over de fchatten dier geenen niet kunnen gebieden, die ze misbrui¬ ken , en dezelve aan zyn kinderen geeven ? Ant¬ woordende » moet men aanmerken, dat dit hier een byzondere daad is. Yder menfch die het goed van zyn evennaalten neemt, moet drie zaaken betoogen, hy aldien hy onnoozel wil zyn. Hy is verplicht een Ifraeliten wilde bevryden, Iteldde het Sacrament van ’t Paafchlatfi in, ’t welk zy als reizigers gekleed, moeiten eeten, de nieren omgord, en de Hok in de hand. Zy moeflen mede hun deuren met dat bloed beHryken, ten einde, op dat de verwoei!. engel, die alle de eerHgeboorene kinderen der Egyp. tenaaren moefl ombrengen, door dit teeken de hui¬ zen der Ifraeliten kennende, hun kinderen fpaarde. Laaten wy ons niet inbeelden , dat het bloed van ’t Lam de deugd had van de verwoeH-engel te ver- dryven* De teekenen fluiten de deugd niejuin van voort te brengen, ’t geen God beloofd ; het bloed Van ’t Lam behield zyn natuur en hoedaanigheden ; maar God werkte in de tegenwoordigheid van het teeken ; het was een eenvoudig beding, dat hy van de Ifraeliten afeifchte , enhy behield al de geenen, die ’t zelve vervult hadden. Dit Lam was het voor¬ beeld vàn Jefus Chriflus Hervende , die door al de geenen moet gegeeten worden, diein’t Heemelfch Canaan willen treeden. XII. AFBEELDING. ] der Ifraeliten. * l.A - -.fcj» Haar Eharao verdrinkt met Hof en leegerftoety I Het Mann in de woeflyn den graagen honger boet, En ’t waaier uit den rots ’t volk red uit doods gevaar en, Vafl en openbaar bevel van God aan te wyzen. Dit bevel moet van doorflraalende wonderdaaden onder- fchraagt zyn van die de zelve openbaar maakt, gelyk Mofes in de tegenwoordigheid Pharaoos deed. Em- delyk moet hy doen zien, dat God het hart van zyn meeHer geboogen heeft, om lichtelyk zyn goederen en fchatten te verflrekken, gelyk als God het hert van de Egyptenaaren voor de Ifraeliten verandert ; had. Een alleen dezer omflandigheden volHrekt niet ; want het is heur t’ zaamenkomfl en zeekerheid, die de proef doet , en waar zal men zoodanig een vinden , die zich door diergelyke weg kan regt- vaardigen ? Men moet hier naêr de uitleggers van de gevallen des gewifle niet luifleren , maar naêr God en Mofes , wiêr oprechtigheid niet veracht kan zyn. De Ifraeliten deeden een andere zonderlinge zaak, uit Egypten trekkende ; want zy voerden met zich de beenderen van Jofeph. Was het de liefde tot de overblyfzelen, die hem alreeds plaagde; want beeld* den zy zich in, dat het overfchot van deze Aards- : vader wonderdaaden op de reis zoude doen ? De Jooden zeggen zulks menigmaal ; maar niemand ge¬ looft hen. Het is wonderbaar, dat de volkeren, wiens GodsdienH zedert beflond in voorzigtelyk de aanraaking van een doode te ontvluchten, met hen het lyk van een menfch medevoerden, en dat zy daar van een plicht van GodsdienH maakten. De waare \ reedenis, dat men zich van het medevoeren vande~ ze doodkifl niet konde ontflaan, om dat men het aan Tofeph, Hervende, belooft had. Maar van waar komt het,dat deze Aards-vader,wiens gebeente in Egypten vreedzaam ruflte, en die aldaar j ? °ngeloovigen een gedenkteeken van zyn groot- herd had, veel heerlyker als het in Canaan konde , zyn, egeeide , dat men zyn aflche zo lang na zyn v omroeren, en hem een zo lange reis ver- phc ten te doen. Men zegt dat hy daar door heeft willen aanwyzen, dat hy zodaanig op de grootheden des waerelds niet gefleld was, dat hy niet toeflond j het gedenkteeken van zyn eerenluiHerte doenver- Djry-](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b30453434_0071.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)