Volume 1
Alle de brieven van Antoni van Leeuwenhoek / uitgegeven, geïllustreerd en van aanteekeningen voorzien door een Commissie van Nederlandsche geleerden.
- Antonie van Leeuwenhoek
- Date:
- 1939-
Licence: Public Domain Mark
Credit: Alle de brieven van Antoni van Leeuwenhoek / uitgegeven, geïllustreerd en van aanteekeningen voorzien door een Commissie van Nederlandsche geleerden. Source: Wellcome Collection.
38/508 page 32
![Angel der bij. Kop der bij. Oog der bij. Luis. 2. Ik bevind, dat de angel van een bij van een ander maaksel is dan door anderen is beschreven3), want ik heb er twee andere angels in waargenomen, gelegen binnen de dikte van den eersten, elk met zijn eigen scheede. 3. Verder neem ik vóór aan den kop der bij twee leden waar met tanden, welke ik schrappers4) noem, mij inbeeldende, dat dit de organen zijn waarmede de bij de wasachtige stof van de plant schrapt. Bovendien vind ik twee andere leden, elk met twee geledin¬ gen, die ik armen noem, waarmede ik geloof, dat dit insect werkt en de raten maakt. Bovendien is er een klein lichaampje, hetwelk ik den wisscher noem en dat ruw is en de andere leden in dikte en lengte overtreft; en hiermede beeld ik mij in, dat de bij de honing- stof van de plant wischt. Alle vijf deze leden kan de bij, wanneer zij niet werkt, vernuftiglijk en in groote regelmaat dicht onder haar kop leggen. 4. Wat nu het oog der bij aangaat, hetwelk ik uit haar kop heb genomen en deszelfs binnenste deel voor den microscoop heb gesteld, bevind ik, dat de bij haar licht ontvangt juist met dezelfde schaduw als wij de honingraat zien; waaruit ik geneigd ben op te maken, dat de bij niet door kunst of kennis, doch slechts volgens het patroon werkt, dat zij in haar oog ontvangt5 6). 5. In een luis bemerk ik, zooals ook anderen5) hebben gedaan, 3) Zie aant. 11 bij den brief van 15 Aug. 1673. [S.] 4) Blijkens den brief van 16 Junij 1700 zijn L.’s „schrappers” de boven¬ kaken of mandibulae, de „armen” de liptasters of palpi, en met den „wisscher” wordt de tong of lingula bedoeld. De opmerking, dat de armen dienen om de honingraat te maken, is wel onjuist. Over den oorsprong van de was tastte L. in het duister, evenals Swammerdam. Wellicht bedoelde hij ook de voorwas. [S.] B) L„ getroffen door de gelijkenis van den facetbouw van het insectenoog met de structuur van de honingraat, meent blijkbaar, dat het gezichtsveld van de bij in zeshoekjes verdeeld is en dat dit haar brengt tot den bouw van de honingraat. Zie ook den brief van 16 Junij 1700. [H.] 6) Vóór L. werden reeds microscopisch luizen bestudeerd door F. Redi (Esperienze intorno alia generazione degli Insetti. Firenze, 1668). Waar¬ schijnlijk wordt hier gedoeld op R. Hooke, die in Micrographia (1665. Obs. 54) de luis afbeeldt met antennae, welke uit 4 leedjes bestaan en die ook beschrijft. Mogelijk zag Hooke juist het tusschenstadium tusschen larve (welke 3 leedjes heeft) en volwassen luis (welke er 5 heeft). Met de even verder genoemde „hoornen” bedoelt L. de sprieten of antennae. Deze hebben bij den Pediculus inderdaad 5 leedjes. Dit was ook aan Swammerdam bekend, die zegt (Biblia Naturae (1737), blz. 68) dat de „Hoornkes uit 5 articulatien bestaan”. In zijn Historia generalis insectorum ofte Algemeene Verhandeling van de Bloedeloose Dierkens (Utrecht, 1669) heeft Swammerdam dit nog niet gezien. [S.]](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b31364962_0001_0038.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)


