Volume 1
De natuurlyke historie der versteeningen, of uitvoerige afbeelding en beschryving van de versteende zaaken, die tot heden op den aardbodem zyn ontdekt / aangevangen door Georg Wolfgang Knorr: vervolgd en omstandig beredeneerd door Johann Ernst Immanuel Walch ... uit het Hoog- in 't Nederduitsch vertaald door M. Houttuyn.
- Georg Wolfgang Knorr
- Date:
- 1773
Licence: Public Domain Mark
Credit: De natuurlyke historie der versteeningen, of uitvoerige afbeelding en beschryving van de versteende zaaken, die tot heden op den aardbodem zyn ontdekt / aangevangen door Georg Wolfgang Knorr: vervolgd en omstandig beredeneerd door Johann Ernst Immanuel Walch ... uit het Hoog- in 't Nederduitsch vertaald door M. Houttuyn. Source: Wellcome Collection.
192/205 page 60
![_gefteldheid hetzelve voor eenige duizenden van louter ongegronde Denbtesiden en rei d ‚zen ze 24 Zyn die niet nee ‚ daar wy doch ten minfte zo en, dat de Aardbodem een groote verandering heeft ondergaan? Wi; weet wat ‘er te vooren op geweeft is, waar van ons noch de Tyd > hd je fchiedeniflen, iets hebben overgelaten. Wie geeft ons Briev a eu: u Ge. het Geheelal is, 't welk wy tegenwoordig din Go an zn egels, dat dit Zei hehe de ee elden den hole en | g 1, dat de tegenwoordige Oppervlakte van den Aardkloot a: = ae brokken van de voorige zy: waar van het, zo zy rn) ME ae „van | ; | rn re thans uit zo veele ongelijke Rorfen, Bergen, Dalen en wat dies ei ee er Yerpietterie Slakhoorens befchouwt, als hier in.N. 3, op ‚ Is afgebeeld, moet op ftaande voet erkennen, hoe het de grootfte mooglykheid in de Natuur zy, dat dergelyken door groeijin eas > Daar zyn geheele millioenen van Brokken te famen gebeid: waar deck i a en geheele Slakken, die men doch geheel plat te famen gedrukt vinde Es iedereen ligtelyk begrypt, dat daar in geen groeijing plaats gehad er Het zyn niet alleen Slakhoorens , maar ook Schulpen, Zaaden, Belemnieten en wie weet wat al meer, onder elkander gemengd. Ik heb een Stuk van tz melyke grootte, (want het is even die zelfde Soort, waar van te seh die Tafelbladen, Tabaksdoozen en allerley Rariteiten gemaakt worden 2 ie Fr dorff te vinden;) ’t welk uit over de duizend Stukken beftaar : in r aihlen | A een Belemniet van een Span langte en van de dunne Soort ; tegen deeze aan one een Wervelbeen van een Ruggegraat , welke niet eens verfteend is, maar het Na- tuurlyke Been, zonder eenige verandering. Deeze Wervel hal een ho breedte boven den Steen uit, maar ik heb hem wat dieper uitgegraven en ers daar in gelaten; alzo ik het voor een byzondere zeldzaamheid aanzie. Wanneer _men deeze Stukken met een Vergrootglas befchouwt, dan zal ieder Idéift zyne gril- len verwerpen, en tot een ander Denkbeeld komen moeten , het mag dan heen loopen waar het wil. KE Dit is nog de plaats niet, waar ik van deeze Hoorens fpreeken wil, maar het Tweede Deel deezes Werks is daar toe gefchikt, dewyl zy aldaar by geheele Stuk- ken voorkomen, en de tegenwoordige maar in Leyfteenen vervat zyn, over wel- ken zig de Heer Wirraam Core, te Briftoll, in % byzonder uitgelaten, en de- zelven deswegen voor niets verklaard heeft ,om dat hy ze op dergelyke Leyfteenen maar zeer dun heeft aangetroffen. Terwyl zyne tegenwerpingen , die hy maakt even zodanige Leyfteenen, als ik by N. ı en 2, voorgeftelt heb, betreffen, zo heb ik zyne Stellingen niet onaangeroerd willen laaten. Hy heeft zyn Gevoelen aan den Heer Ray met de volgende woorden bekend gemaakt. Onder andere Soorten van deeze Lighaamen, die ik aangemerkt heb, zal ik maar ééne bybrengen, welke tot geene dan de Slangenfteenen kan betrok- ken worden. Ik vond dezelve tuflchen de dunne Bladen van zekere Soort van broo- {chen blaauwen Leyfteen , in eene groote Rots groeijende , eenigen een Stadie [Furlong , dat is veertig Roeden] binnen den vollen Zee-Oever , en eenigen, daar het Water niet heen komt, dan by de hoogfte Vloeden, in groote Stormen, wan- | neer de Golven breeken, daar het tegen dezelven aangeflagen , en van de Winden met geweld opwaards gedreeven wordt. Wanneer men deezen Leyfteen met een bekwaam Werktuig breekt, zo laat hy zig in zeer dunne Blaadjes fplyten , tufichen welken ik dergelyke Steenen in overvloed gevonden heb , maar die zo breekbaar waren als de Leyfteen , in welke zy groeiden , en tevens van dergelyken digten aart, doch zo dun, dat de breedften, van ongevaar vier Duimen, niet zo dik als. een Agtentwintig (Half a Crown) waren. Eenigen van minder dan een half Duim on breed ;](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b33545911_0001_0192.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)
No text description is available for this image
No text description is available for this image
No text description is available for this image