Ontleedkundige studien over de aderlijke bloedvaten in den gezonden toestand / door J.M. Schrant.
- Schrant, Joannes Matthias, 1823-1864.
- Date:
- [between 1850 and 1859]
Licence: Public Domain Mark
Credit: Ontleedkundige studien over de aderlijke bloedvaten in den gezonden toestand / door J.M. Schrant. Source: Wellcome Collection.
Provider: This material has been provided by The Royal College of Surgeons of England. The original may be consulted at The Royal College of Surgeons of England.
25/44 page 25
![zelfde ontwikkelingstrappea, die men bij liet genezen cenor wond bij opvolging van tijd waarneemt. De kernen der Jongste cellen der opperhuid en de in het rete Malpigliii liggende vrije kernen, zijn toch vaak op gelijksoortige wijze gedeeld en met de cel gevoelig voor azijnzuur '), even als die der etterligchaampjes, terwijl de andere, meer naar buiten liggende cellen deze eigenschap niet meer vertooneu. Aan den anderen kant, kunnen de kernen en jongste cellen, die aan het onderhuidsbindweefsel grenzen, volgens vogels wet der analogie , zich ook tot bindweefsel ontwikke- len. De ontstaande cellen worden daarbij vezelcelleu, ver- lengen zich, vormen bandvormige ligchamen en splitsen zich tot de gewone draadvezels. Men ziet dit vooral bij de huid der vrucht, waai’ de epidermis naar verhouding dik- ker is dan bij volwassenen, „misschien” zegt henle , „ omdat de onderste lagen harer cellen zich nog tot bind- weefsel outAvikkelen. ” Bij eene genezende huidwond is dit laatste duidelijker. Morden namelijk de in het ivondexsu- daat ontstaande cellen, b. v. door dat het vocht te dun, te waterachtig is, aanhoudend weggespoeld, zoo ontstaat er geen nieuw weefsel, de wond geneest niet „ omdat de etter te dun is.” Is daarentegen het vocht kleveriger, dik- ker, zoo vloeijen de gevormde cellen, (etterligchaampjes), niet zoo in massa weg, haar getal groeit integendeel meer en meer aan en het vocht verkrijgt hierdoor het roomach- tig aanzien van „ pus laudabile. ” De wond geneest en wel op deze wijze: De diepste laag der ettercellen, die aan het onderhuidsbindweefsel raakt en daaraan vastkleeft, gaat o]) gelijke wijze als bij de huid der vrucht, tot vezelcelleu en bindweefsel over en organiseert zich verder tot de zooge- naamde vleeschheuveltjes. Deze bestaan hoofdzakelijk uit ettercellen, verlengde vezercellen en jong bindweefsel. Zoo- dra echter de wondoppervlakte tot de lijn der epidermis genaderd is, zoo ontwikkelen zich de cellen niet meer tot bindweefsel, maar zij blijven rond, hechten zich vaster aan elkander, hare kernen worden oogevoelig voor azijnzuur, de cellen nemen meer en meer een platten vorm aan, en zoo heeft zich een dun vliesje gevormd, de jonge epider- •> Heni.e. I. I.. p. 1.57, 21’., 2In. (2 I. I,, p. 252. I](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b22333253_0027.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)


