Dierkundige beschouwingen, eeniger soorten van zeldzame dieren, door naauwkeurige beschryvingen, afbeeldingen en verhandelingen opgeheldert / vertaald, met aanmerkingen verrykt en thans op nieuw in 't licht gebragt [door P. Boddaert] [Anon].
- Peter Simon Pallas
- Date:
- [1770?]
Licence: Public Domain Mark
Credit: Dierkundige beschouwingen, eeniger soorten van zeldzame dieren, door naauwkeurige beschryvingen, afbeeldingen en verhandelingen opgeheldert / vertaald, met aanmerkingen verrykt en thans op nieuw in 't licht gebragt [door P. Boddaert] [Anon]. Source: Wellcome Collection.
179/226 page 19
![fpringend Goudhaantje, dat rosachtig is en wat glinflerd, met dekfchaa- len, die met flippen geftreept zyn. Ik kan niet denken, dat dit het zelve zy met het geen de Heer Jac- QUiN befchryft Qlant Amer, p. 280.) onder den naam van afchgraauw- achtig lorretje , dat 'ivat ruig is , met draadachtige fprieten gladde dek- fchaalen^ de dyen der agterpooten dik, wyl deszelvs afbeelding Qab, fig, i.j met ons Goudhaantje overeenkomt, noch in grootte noch in verw, noch in fprieten , gelyk men uit onze afbeelding fig, 9. 12, vergeleeken met de afbeelding en befchryving van den Heer Jacquik ligtelyk kan zien. De gedaante der fprieten en borfl brengen dit Diertje onder die Goudhaantjes, welke de Heeren Schaeffer (ƒ) en Geoffroy Qg} Me* lolontha noemen en de gedaante der agterpooten brengt het tot de fpringende Goudhaantjes van den Heer Linnaeus (hj, De Rups oiQuatworm (^fig» ii.) van dit Dier is veertien lynen lang, zeer dik, van boven rond, en van onder plat, en heeft twaalf verdee- lingen of infnydingen, welke yvoir wit zyn. Het Hoofd Ïs niet te on- derfcheiden van het ligchaam, dan alleen door twee zeer kleine caftanje bruine uitfleekzels, die naauwlyks zigtbaar zyu , zonder eenig bewys van deelen welke tot de zintuigen behooren (f). Deze uitfleekzelen zyn ingeplant op een yvoir wit van boven verhe¬ ven ligchaam, het geen van vooren eene in de lengte loopende groef heeft, welke zeer ondiep is, van agter ziet men twee lang vierkante vlakken. -— De Rug beflaat uit twaalf verheven gerimpelde rin¬ gen, welke alle yvoir wit zyn, en in de levende Quatnx}orm^ (kj zeer glad en blinkende, doch eenigen tyd in Moutwyn bewaard, worden zy graauwachtig, yder ring heeft aan de zyden een byhangfel,- dat plat en (ƒ♦) ScHAEFF. elem^ entomol. p. 83. tab. 83. inf. Rat, tab, 6, fig, 1—7. tab, 13. 14. tab. 51. fig, 5. tab, 52. fig. 11, 12. tab, 62, fig, 7. tabi 6/, fig, 5. {g) Geoff. Infedt. I, pag, 195. tab. 3. fig, 4. (h) Linn. Syfl, XII, pag. 593. (i) Dit heeft in verfcheiden Rupfen van fchaalvlengeligen plaats, als ook in de Vlie¬ gen in hunnen eerden (laat. By voorbeeld de Rups van het Olyphantje {Curculio') be¬ kend onder den naam van Cabbus Wurm welke eene van de grootde in deze zoort is. (Zie Menanin tab. 48. in welk het hoofd met fterke kaakbeenen gewapend is, en dus de fmaak te kennen geeft, en dus ook het werktuig van voeding, ik egter geen oogen heb konnen onderfcheiden; de Rupfen der Donsvleugeligen hebben de oogen zeer klein zes aan yder zyde , gelyk de Heer Lyonnet Anat. de Ia Chenill, Chap, IV, p, 40. pl. I, fig, 9. in de Hoiitrups en Sepp in de Rups der Hagedoornvlinder aantoont, twee¬ de gez. der tweede bende tab, VI, fig, 5» 9* B.] i (yl-) [Dit heeft in de meefte Quatwormen plaats, ik heb er geen in de Cabbviwortn^ in de zoogenaamde Koning van de witte Mieren nog in een grooteOoHindifcheTorworra welke vier duimen lang is en meer dan een duim dik is, noch in de gemeene Molenaars Worm; noch in die van ÓQ^Tenebrio konnen vinden. V, Stuk. C 2](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b30519792_0179.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)


